De vier kenmerken van Italiaanse rode wijn

De vier kenmerken van Italiaanse rode wijn

Zoals zoveel wijnen heeft ook de Italiaanse wijn een specifiek karakter. In dit blogartikel ontdekt u de vier belangrijkste kenmerken die de Italiaanse rode wijn kenmerkt.

De smaak van natuur

De Italiaanse wijnen smaken aards en ingetogen. Een belangrijk kenmerk is het contact met het land die men in elke fles kan ruiken en proeven. De geur kunt u doen denken aan paddenstoelen, aarde, mineralen of gras. Deze eigenschappen worden meestal aangeduid als een aardsheid die ervoor zorgt dat de wijn niet met voedsel concurreert, maar dat deze elkaar eerder versterken.

Zuurgraad

Kenmerkend voor Italiaanse wijnen is de hoge zuurgraad. Een verklaring hiervoor is het feit dat wijn met een hoge zuurgraad in de meeste gevallen beter bij het eten past. Het is geen verrassing dat deze cultuur met zijn passie voor culinaire traditie een wijn produceert die hun verbazingwekkende toewijding aan de keuken nog eens sterker benadrukt. Dit betekent dat witte Italiaanse wijnen de neiging hebben om knapperig te zijn en rode wijnen vaak stevig zijn.

Mild en divers in te zetten

Hoewel er een aantal uitstekende zwaardere wijnen in Italië zijn (zoals Barolo), zijn de meeste meer medium van body. De wijnen zijn zeer geschikt voor het brede scala aan gerechten uit de Italiaanse keuken die beter presteren wanneer ze niet overweldigd worden.

Typische Italiaanse druiven

Italianen gebruiken over het algemeen druiven van over de hele wereld. Maar het land heeft ook een aanzienlijk aantal lokale rassen die alleen worden geteeld in de regio. Nebbiolo, bijvoorbeeld, is de druif die gebruikt wordt om Barolo te maken en is alleen te vinden in Piemonte en Lombardije.

Omdat het Italiaanse klimaat perfect is voor de druiventeelt, hebben veel rassen zich in de loop van duizenden jaren ontwikkeld om specifiek op één regio in te spelen. Vanwege dit verschijnsel is het vrijwel onmogelijk om deze struiken vruchten voort te laten brengen in een ander land dan Italië.

Het belangrijkste druivenras in Italië is de Sangiovese. Deze groeit in het hele land, maar met name in Toscane en Umbrië. De druif maakt een medium wijn, bevat veel tannine, heeft een hoge zuurgraad en draagt de smaak van kruiden en kersen.

De Nebbiolo-druif is specifiek voor de Piemonte-regio. Van deze druif komen de twee beroemdste wijnen van Italië: de Barbaresco en de Barolo. De druif is vol van smaak met een hoge zuurgraad en een sterke tannine en doet denken aan aardbeien, champignons, teer en truffels.

De Barbara-druif wordt net zo veel verbouwd in Italië als de Sangiovese. Het is een lichtere druif met weinig tannine en een hoge zuurgraad. De fruitsmaken zijn over het algemeen meer uitgesproken dan bij andere soorten, wat dit een uitstekende fruitige zomerdruif maakt.